079.
BIJBELSTUDIE OVER
xvrhv >pnhv [vgh
De schepping van de mens roept vele vragen op, die
christenen doorgaans proberen te analyseren door het scheppingsverhaal woord
voor woord uit te pluizen, sommige dingen geestelijk uit te leggen en
schijnbaar vanzelfsprekende dingen zonder meer te aanvaarden. Wat moeilijk te
begrijpen is wordt soms gewoonweg genegeerd of op nietszeggende wijze vertaald.
Het Jodendom gaat echter anders om met haar hrvt Tora. Joden hebben immers op de
eerste plaats niet te maken met een vertaling, maar met het origineel in hun
eigen taal, het Hebreeuws! De rabbijnen maken bij hun uitleg van hrvt Tora
vaak gebruik van de hn>m Mishna,
de mondelinge leer, de >rdm Midrash,
waarin zij de commentaren van andere rabbijnen raadplegen, en de dvmlt Talmud, een compilatie van het Joodse denken, om
zodoende de diepere betekenis van de Bijbelteksten te onderzoeken en verstaanbaar
te maken. Zo geven met name de ,y>rdm Midrashim een aantal antwoorden op de
vraag, waarom er maar één mens werd geschapen, terwijl de Eeuwige het vermogen
bezit, om zo véél mensen tegelijk te scheppen als Hijzelf wil: “Als de Heilige,
gezegend zij Hij, méér dan één mens tegelijk had geschapen, dan hadden generaties
later de nakomelingen zich op de borst geslagen: ‘Mijn vader was edeler dan de
uwe.’” Daarom schiep G’d Adam geheel
alléén, opdat alle nakomelingen voortaan zouden weten, dat zij één
gemeenschappelijke vader hebben gehad, dat zij allen van één vader afstammen en
dat niemand tot een hoger of lager ras behoort. Alle levende wezens schiep de
Eeuwige door Zijn woord, maar de mens vormde Hij met Zijn eigen handen. Adam werd als enkeling geschapen opdat gij verstaan
zult: “Wie een mens te gronde richt, met hem is het alsof hij de gehele
mensheid te gronde heeft gericht - maar wie een mens redt, met hem is het alsof
hij de gehele mensheid heeft gered.” Adam
werd als enkeling geschapen, ook om G’ds grootheid te verkondigen, want de mens
slaat vele munten met één en dezelfde vorm en alle lijken zij op elkaar; maar
de Koning der koningen, de Heilige, geprezen zei Hij, drukt op ieder mens een
stempel als bij de eerste Adam, en toch lijkt geen mens op de andere. Elk mens
heeft een ander lichaam, een andere ziel en een andere geest, waardoor hij zich
onderscheidt van andere mensen. Maar nu komen nieuwe vragen: is dit lichaam
anders dan het opstandingslichaam waarover later in de Bijbel gesproken wordt?
En is de geest iets anders dan de ziel? Is het niet het zelfde? Wat is het
verschil? Ik ga in deze bijbelstudie de drie elementen, die samen de mens
vormen, één voor één nader toelichten. We beginnen met het lichaam, want dat
heeft de Eeuwige eerst geschapen voordat Hij de levensadem inblies.
[vgh
haGuf - Het lichaam
Wat is het belangrijkste deel van het lichaam?
Volgens Joodse opvattingen de beenderen, het skelet! En dat heeft alles met de hmvqt T’quma [opstanding] te maken. Na het overlijden
wordt het lichaam vanaf de hrhu=rdx Chadar-Tohara [plaats van de rituele
reiniging] naar het tvrbq=tyb Beit-Q’varot [de begraafplaats]
gebracht. In het oude Israël werd de dode eerst in een grafkamer gelegd tot het
vlees verteerd was en pas daarna werden de beenderen in een kist gedaan en
tijdens een plechtigheid in het definitieve graf ter aarde besteld (Mishna-tractaat ]uq
divm Mo’ed Qatan 8a). De rbq Qever
[het graf] was dus niet de plaats van vertering, maar de bewaarplaats van het
gebeente. Is het u nooit opgevallen, dat de Bijbel blijkbaar geen prijs stelt
op de bewaring van vlees en bloed van de mens, maar wél van zijn beenderen?
Waarom spelen de beenderen zo een belangrijke rol? Waarom werden de beenderen
van Yeshua niet gebroken na Zijn dood (]nxvy Yochanan [Johannes] 19:36)? Waarom staat er in ,ylht Tehilim [Psalmen] 34:21 immers: “Hij
behoedt al Zijn beenderen, niet één daarvan wordt gebroken”? Een balseming
voor het bewaren van het hele lichaam was en is bij de Joden niet gebruikelijk.
Dat was een heidense gewoonte, tegenwoordig vooral bekend van de Egyptenaren.
En ondanks het feit, dat het lichaam van Yosef
[Jozef] wèl gebalsemd werd - hij was immers een hooggeplaatst persoon in Egypte
- moeten we erop letten dat Yosef stervende
zijn broeders opdroeg, zijn gebeente mee te voeren, als zij naar Kanaän zouden
terugkeren, wat Moshe [Mozes] dan ook gedaan
heeft: “En Moshe nam het gebeente
van Yosef mee, omdat deze de zonen van Yisra’el plechtig had doen zweren: G’d zal zeker naar
u omzien, dan zult gij mijn gebeente vanhier
met u meevoeren” (tvm> Sh’mot [Exodus] 13:19). Het was dus niet het gebalsemde
lichaam van Yosef, dat in Kanaän
werd begraven, maar slechts zijn beenderen! De
teraardebestelling van de beenderen (en niet het lichaam) komen we eveneens in a ,yklm M’lachim alef [1 Koningen] 13:31 tegen: “Als
ik sterf, begraaft mij dan in het graf waarin de man G’ds begraven is; legt mijn beenderen
naast zijn beenderen”. Veel christenen zullen hun opvatting van de
bijbelse antropologie moeten herzien. Zij blijven maar spreken over de mens als
vlees en geest, maar letten er niet op, dat Chava
[Eva] gebouwd werd uit een rib van Adam, en Adam, als hij Chava
ziet, verheugd uitroept: “Dit is nu eindelijk been van mijn gebeente en vlees van mijn
vlees” (ty>arb B’reshit [Genesis] 2:23). Veel christenen leggen dus te veel nadruk op het
vlees en de geest, terwijl de Joden evenveel waarde hechten aan het gebeente.
In TeNaCH [het zg. Oude Testament] is het
gebeente immers op dezelfde wijze zetel van het leven als de ziel. Let
bijvoorbeeld op ,ylht Tehilim [Psalmen] 35:9-10, waarin
gezongen wordt: “Maar mijn ziel juicht in de Eeuwige, jubelt in Zijn
verlossing; al mijn beenderen zeggen: Adonai,
wie is als Gij?” Ook in vhiy>y Yeshayahu [Jesaja] 66:14 kunnen wij
lezen: “Als gij het ziet, zal uw hart zich verblijden, en uw gebeente zal gedijen als het jonge groen.” Velen van ons
kennen het opwekkingsliedje nr. 389 “Create in me a clean heart”, waarin
slechts over een rein hart en een gewillige geest wordt gezongen. Dit lied is
gebaseerd op ,ylht Tehilim [Psalmen] 51:12-14. Als wij
echter in vers 10 van precies dezelfde psalm kijken, kunnen we lezen: “Doe
mij blijdschap en vreugde horen, laat het gebeente, dat
Gij verbrijzeld hebt, weer jubelen.” Met gebeente bedoelt de psalmist hier
duidelijk zichzelf! Als een mens zich door de Eeuwige gekend weet, belijdt hij:
“Mijn gebeente
was voor U niet verholen, toen ik in het verborgene gemaakt werd” (,ylht Tehilim [Psalmen] 139:15). Van het
gebeente kan dus hetzelfde worden gezegd als van de ziel: dat ben ik! Dat bent
u! Als men het dus heeft over de drie-eenheid van lichaam, ziel en geest, zoals
beschreven in 1 Thessalonicenzen 5:23, dan wordt hier met
lichaam op de eerste plaats
het gebeente bedoeld.
Zou het derhalve eigenlijk niet veel bijbelser zijn om overeenkomstig laqzxy Yechez’qel [Ezechiël] 37 te spreken van de wederopstanding
der beenderen in plaats van de wederopstanding des vlezes? Wij weten
allemaal, dat we bij de opstanding een nieuw, verheerlijkt lichaam zullen
krijgen, dat niet gebaseerd zal zijn op vlees (daarover heb ik een aparte
bijbelstudie geschreven). Maar de basis van dit opstandingslichaam vormt wèl ons gebeente!
Het gebeente blijft bij de opstanding immers niet achter in het graf! Het
bewaren van de beenderen tot de dag van de opstanding heeft voor Joden over het
algemeen een grotere gevoelswaarde dan voor christenen. De mens is maar niet
eenvoudig wèg. In het graf rust zijn gebeente, en dat gebeente - dàt was hij
zelf! Daarom hebben Joden meestal veel meer eerbied voor het graf dan
christenen en daarom hebben Joden nooit kunnen begrijpen dat veel christenen,
vooral uit de reformatorische hoek, zeggen: “Ik ga niet naar een kerkhof; dat
graf zegt mij niets; dat vergaande lichaam is mijn dierbare niet, want hij of
zij is daar niet.” Maar hij of zij is daar wèl, althans een deel ervan! De mens
is een drie-eenheid: lichaam, ziel en geest. Een deel daarvan is in ]di=]g Gan-Eden [het paradijs] of in lva> Sh’ol [het dodenrijk], maar het andere deel ligt in het
graf en ook dat deel, het gebeente, verdient het zelfde respect, dezelfde
genegenheid tot de dag van de opstanding. In de Bijbel word zó nadrukkelijk
over het gebeente gesproken, dat crematie in het Jodendom absoluut taboe is.
Zelfs als het de laatste wens van de overledene is, mag men daaraan geen gehoor
geven. Verbrandt men een lijk, dan vernietigt men de door G’d geschapen vorm;
men vergrijpt zich dus aan een g’ddelijke schepping. Dit betekent een
minachting van G’ds bedoelingen en het niet op prijs stellen van de opstanding!
Hebben christenen, die vóór crematie zijn, dáár wel eens aan gedacht?
>pnh haNefesh - De
ziel
Naast lichaam en geest bezit de mens ook een ziel,
een zelfbewustzijn. In het Hebreeuws heet dit >pn nefesh en in het Grieks yuch psuche [psyche, vandaar dus
psychiater, psycholoog enz.]. Een ander Hebreeuws woord voor ziel is hm>n neshama, waarvan het Jiddische woord Neschomme afgeleid is. Behalve ‘ziel’ betekent hm>n neshama ook ‘adem’. De mens werd immers
pas een levende ziel (de NBG-vertaling schrijft helaas levend wezen) nadat de
Heilige-gezegend-zij-Hij hem de levensadem had ingeblazen:
tm>n vypab xpyv hmdah9]m rpi ,dah9ta ,yhla hvhy rjyyv
.hyx >pnl ,dah yhyv ,yyx
Vayitzer Adonai Elohim et-haAdam afar
min-haAdama vayipach b’apaiv nish’mat chayim vay’hi haAdam l’nefesh chaya. -“Toen
formeerde Adonai Elohim de mens (,dah haAdam) van stof uit de aardbodem (hmdah haAdama) en blies de levensadem
(,yyx tm>n nish’mat chayim) in zijn neus;
alzo werd de mens tot een levende ziel (,yyx >pn nefesh chaya).” (ty>arb B’reshit [Genesis] 2:7). De ziel is het onstoffelijk deel van de
mens: zijn innerlijk, zijn gehele wezen. De ziel is de zetel van onze
persoonlijkheid. De elementen die ons tot mens maken behoren tot de ziel:
karakter, gevoelens, verstand, gedachten, idealen, keuzen, inzicht, beslissingen,
liefde enz. De drie belangrijkste vermogens van de mens, die samen zijn
persoonlijkheid, zijn eigen ‘ik’ vormen, zijn de wil, het verstand
en het gevoel. Met de wil maken wij onze plannen,
voornemens, beslissingen en keuzen. Met de ziel gaf de Eeuwige ons de vrije wil
om onze eigen keuzen te maken: of we iets willen of weigeren. Zonder deze eigen
wil zou de mens net een robot zijn, een machine. Het verstand geeft ons het vermogen tot zelfstandig denken. Om
G’ds woord te kunnen begrijpen en de juiste keuzen te maken hebben we niet
alleen het geloof nodig, maar ook het verstand. Zonder het door G’d gegeven
verstand zouden we dom en dwaas zijn. Het verstand is de bron van wijsheid en
kennis. Het derde belangrijke element van de ziel is ons gevoel. Dit gevoel stelt ons in staat om uiting van liefde
en genegenheid, maar ook van haat en afkeer te geven. Door dit vermogen kunnen
wij ons blij of verdrietig, boos of gelukkig voelen. Zonder het gevoel zouden
we hard als steen of koud als ijs zijn. Al dit laat ons zien, dat de ziel ons
eigen ‘ik’ of ‘ego’ is. De ziel is onze eigen persoonlijkheid. Dit is de reden
waarom de Bijbel de mensen vaak ‘zielen’ noemt. Zo staat er in ty>arb B’reshit [Genesis] 46:27 bijvoorbeeld: “Het
gehele getal der zielen van
het huis van Ya’aqov [Jakob], die naar Egypte kwamen, was
zeventig.” In tvm> Sh’mot [Exodus] 16:16
lezen wij over het manna: “Dit is wat de Eeuwige geboden heeft: Verzamelt
ervan naar ieders behoefte; ieder van u kan voor zijn tentgenoten een gomer per
hoofd nemen, naar gelang van het zielental.”
Ook in ,yrbd D’varim [Deuteronomium]
9:22 staat er: “Met zeventig zielen
trokken uw vaderen naar Egypte, en thans heeft de Eeuwige, uw G’d, u talrijk
gemaakt als de sterren des hemels”. Men heeft het hier dus steeds over zielen, terwijl er eigenlijk personen bedoeld zijn. Een ziel is dus inderdaad een persoon! h>dxh tyrb B’rit haChadasha [het Nieuwe
Testament] brengt ons dezelfde gedachte over. Zo wordt in 1 Petrus 3:20
gesproken van acht zielen,
die in de ark van Noach door de zondvloed heen gered werden, en in Handelingen 2:41 werden
ongeveer 3000 zielen aan de
gemeente toegevoegd. Ook in Handelingen 27:37 heeft Sha’ul haShaliach [de apostel
Paulus] het over zielen als het om personen gaat: “Wij waren nu in het
geheel aan boord met tweehonderd zesenzeventig man.” Helaas heeft de NBG-vertaling
opnieuw de grondtekst veranderd, want in het Grieks staat er toch echt wel yucai psuchai, zielen:
hmeJa de ai pasai yucai en tw ploiw diakosiai ebdomhkonta ex.
Ook in de Hebreeuwse versie van dit gedeelte
wordt er gesproken van >pn nefesh, zielen:
.vnxnav .>>v
,yib>v ,ytam hynab r>a >pn=lk
Het is dus duidelijk dat de gehele
Bijbel, dus zowel TeNaCH als B’rit haChadasha, spreekt van de ziel als van de mens zelf! Wij mogen dus
stellen, dat wij mensen kenbaar en herkenbaar zijn door de kenmerken van onze
ziel. De Joodse geschriften staan er vol met voorbeelden van de drie
belangrijkste vermogens, die samen onze persoonlijkheid vormen, welke aan de
ziel toehoren. Er zijn te veel Schriftgedeelten om die allen op te noemen.
Daarom beperk ik mij tot slechts enkele teksten:
a) Het vermogen van
de ziel om de wil te uiten: “Mijn
ziel (grondtekst!) weigert ze aan te raken.” (bvya Iyov [Job] 6:7).
b) De verstandelijke vermogens van de
ziel: “Want de wijsheid zal in uw hart komen en de kennis zal
voor uw ziel liefelijk zijn.” (yl>m Mishlei [Spreuken]
2:10).
c) Tenslotte het
vermogen van de ziel om gevoelens
te uiten: “Mijn ziel verlangt, ja smacht naar de voorhoven van
de Eeuwige.” (,ylht Tehilim [Psalmen]
84:3). “Het verlangen van uw ziel” (laqzxy Yechez’qel [Ezechiël] 24:21). “Want haar
ziel is bitter bedroefd” (b ,yklm Melachim bet [2 Koningen]
4:27). “Verheug de ziel van Uw knecht, want tot U, Eeuwige, hef ik
mijn ziel op” (,ylht Tehilim [Psalmen] 86:4).
Uit de hierboven aangehaalde teksten
over de diverse gemoedsbewegingen van de mens kunnen we de gevolgtrekking
maken, dat onze ziel in staat is om lief te hebben, bedroefd te zijn, te
verlangen, te kennen, te weten, te willen en te weigeren. Als het ons duidelijk
is geworden wat tot de ziel behoort, zal get daarna eenvoudiger zijn om de ziel van de geest en dus ook het zieleleven van het geestelijk leven te
kunnen onderscheiden. We hadden het in dit hoofdstuk over de menselijke ziel.
Maar dan wil ik u graag in dit verband twee dingen vragen: Heeft G’d een ziel?
Hebben ook dieren een ziel? Beide vragen beantwoordt de Bijbel met ‘ja’! G’d
heeft inderdaad een ziel, wat uit vhyi>y Yeshayahu [Jesaja] 1:14
duidelijk blijkt:
.a>n ytyaln xrul yli vyh y>pn han>
,kydivmv ,ky>dx
“Uw nieuwemaansdagen en uw feesten haat Ik met
heel Mijn ziel (y>pn Nafshi), zij zijn mij een last.” De eerder
genoemde kenmerken van de ziel komen we in de Joodse geschriften herhaaldelijk
ook tegen met betrekking tot de Eeuwige. Maar let wel: ondanks alle
ogenschijnlijke overeenkomsten met de onze, heeft Hij toch een G’ddelijke ziel,
geen menselijke! Wat de dieren betreft, gaat men in christelijke kringen (mede
door toedoen van foutieve of onzorgvuldige vertalingen) ervan uit, dat het
verschil tussen mens en dier juist het ontbreken van de ziel bij het dier zou
zijn. Het Jodendom daarentegen gelooft er stellig in, dat ook de dieren wel
degelijk een ziel hebben! Het bewijs daarvoor vinden we in de originele Bijbel,
waarin het woord >pn nefesh [ziel] ook in
verband met dieren wordt gebruikt. Zowel de NBG-vertaling alsook praktisch alle
andere vertalingen gebruiken hiervoor liever benamingen als ‘wezens’ en
dergelijke. Ze vermijden opvallend het woord ‘ziel’ als het om dieren gaat. Een
aangename uitzondering is echter de Statenvertaling, die wèl consequent ‘nefesh’ met ‘ziel’ vertaald.
Enkele voorbeelden hiervoor zijn:
ynp9li /rah9li [pviy [viv hyx
>pn /r> ,ymh vjr>y ,yhla rmayv
t>mrh hyxh >pn9lk tav ,yldgh ,nynth9ta
,yhla arbyv .,ym>h iyqr
.bvu9yk ,yhla aryv vhnyml [nk [vi9lk tav
,hnyml ,ymh vjr> r>a
“En G’d zeide: Dat de wateren overvloediglijk
voortbrengen een gewemel van levende zielen;
en het gevogelte vliege boven de aarde, in het uitspansel des hemels! En G’d
schiep de grote walvissen, en alle levende wemelende ziel, welke de wateren overvloediglijk voortbrachten, naar
haar aard; en alle gevleugeld gevogelte naar zijn aard. En G’d zag, dat het
goed was.” (ty>arb B’reshit
[Genesis] 1:20-21). Hetzelfde zien we in vers 24:
hyx >pn /rah ajvt ,yhla rmayv
.]k9yhyv hnyml /ra9vtyxv >mrv hmhb hnyml
“En G’d zeide:
De aarde brenge levende zielen
voort, naar haar aard, vee, en kruipend, en wild gedierte der aarde, naar zijn
aard! En het was alzo.”
Een ander bewijs
voor de stelling dat ook dieren een ziel hebben, vinden we in arqyv Vayiq’ra [Leviticus] 17:10-44 bij het
verbod om bloed te eten: “Ieder van het huis Israëls en van de
vreemdelingen, die in hun midden vertoeven, die enig bloed eet; tegen zo
iemand, die dat bloed gegeten heeft, zal Ik Mijn aangezicht keren en hem uit
het midden van zijn volk uitroeien. Want de ziel van het vlees is in het bloed en Ik heb het u op het
altaar gegeven om verzoening over uw zielen te doen, want het bloed
bewerkt verzoening door middel van de ziel. Daarom heb Ik tot de Israëlieten
gezegd: Niemand van u zal bloed eten. Ook de vreemdeling, die in uw midden
vertoeft, zal geen bloed eten. En ieder van de Israëlieten en van de vreemdelingen,
die in uw midden vertoeven, die een stuk wild of gevogelte jaagt, dat gegeten
mag worden, zal het bloed daarvan uitgieten en dat bedekken met aarde. Want,
wat de ziel van alle vlees
betreft, het bloed ervan is zijn ziel; daarom heb Ik tot de Israëlieten gezegd:
Gij zult van generlei vlees bloed eten, want de ziel van alle vlees is het bloed: ieder die het eet, zal
uitgeroeid worden.” Omdat elk dier een ziel heeft, wordt er voor het
ritueel slachten het dier om vergeving gevraagd. Voor een westerling is dit
iets om over na te denken...
xvrh haRuach - de geest
De Joodse
Geschriften tonen ons aan, dat de menselijke wezens - en dàt verschilt ons wel
degelijk van de dieren - een menselijke geest bezitten. Deze geest is geen
spook! De geest is ook niet hetzelfde als onze ziel en ook niet als de Heilige
Geest, >dqh xvr Ruach haQodesh. Aangaande de
menselijke geest, in het Hebreeuws xvr Ruach geheten, leert
ons de Bijbel dat hij samengesteld is uit drie delen: geweten, intuïtie
en g’dsverlangen. Het geweten stelt ons in staat om te
onderscheiden tussen goed en kwaad. Het is het zogenaamde ‘stemmetje van
binnen’, dat dingen veroordeelt, die wij vaak met redeneren en argumenteren
willen rechtvaardigen. Door onze intuïtie
kunnen wij bepaalde zaken aanvoelen. Dit vermogen staat zo lijnrecht tegenover
de gevoelens van lichaam en ziel, dat het intuïtie word genoemd. Het heeft
niets te maken met occulte praktijken zoals helderziendheid, maar is een door
G’d gegeven kennis die tot ons komt zonder enige hulp of invloed vanuit onze
gedachten, gevoelens of wil. Echt ‘innerlijk weten’ en ‘kennen’, ‘aanvoelen’
vindt plaats door onze intuïtie, ons verstand helpt ons alleen daarbij om het
te begrijpen. De openbaringen van de Eeuwige en de werking van Ruach haQodesh, de Heilige
Geest, komt tot de gelovige over via de intuïtie. Wij moeten derhalve leren
luisteren naar de stem van het geweten
en de onderwijzing van de intuïtie.
Het derde element van de menselijke geest is het g’dsverlangen (of juist het ontbreken daarvan!). Wij kunnen
G’d alleen maar aanbidden in de geest. Vanuit de vermogens van de ziel is dit
niet mogelijk, want de Eeuwige is niet te bevatten door onze gedachten,
gevoelens of bedoelingen. Hij kan alleen rechtstreeks in onze geest worden
gekend en aanbeden. Ons contact met G’d en andersom vindt uitsluitend plaats in
de geest. De ziel staat daar buiten. Evenals bij de ziel het geval is, bestaan
er in de Bijbel te veel Schriftgedeelten over de drie elementen van de geest om
die allen aan te kunnen halen. Vandaar dat ik mij ook in dit geval beperk tot
slechts enkele voorbeelden.
a) De functie van
het geweten in de menselijke
geest: “En terwijl Sha’ul [Paulus] te Athene op hen wachtte, werd
zijn geest in hem geprikkeld, toen hij zag, dat de stad zo vol afgodsbeelden
was.” (y>im Ma’asei [Handelingen]
17:16).
b)
De functie van de intuïtie
in de menselijke geest: “Wie toch onder de mensen weet, wat in een mens is,
dan des mensen eigen geest, die in hem is?” (1 Korinthiërs 2:11).
c) De functie van
het g’dsverlangen in de
menselijke geest: “De ure komt en is nu, dat de waarachtige aanbidders de
Vader aanbidden zullen in geest en in waarheid; want de Vader zoekt zulke
aanbidders; G’d is Geest en wie Hem aanbidden, moeten aanbidden in geest en in
waarheid.” (]nxvy Yochanan [Johannes]
4:23-24).
Bidden is een
gesprek met de Eeuwige. We moeten daarbij aan twee voorwaarden voldoen: we
moeten echt contact met Hem hebben, wat alleen in de geest mogelijk is en we
moeten het echt menen, in waarheid dus. Iets afraffelen vanaf een voorgedrukt
stencil zonder verder bij na te denken, wat regelmatig in traditionele kerken
gedaan wordt, is geen bidden zoals Yeshua dat bedoelt. Alhoewel onbekeerde mensen
en veel traditionele christenen en Joden nog geen echt geloofsleven ‘in geest
en in waarheid’ hebben, bezitten zij wel de eerder genoemde functies van de
geest, maar beheersen deze nog niet zoals het moet. Dat wordt alléén mogelijk
gemaakt door de bekering! Vóór de bekering is onze geest gescheiden van G’ds
Geest, maar daarná woont G’d in onze geest. Dan is hij geactiveerd om een
instrument te zijn van de Heilige Geest. Wij moeten beseffen, dat onze
onafhankelijke menselijke geest iets anders is dan onze ziel! Deze geest is
niet het verstand, ook niet het gevoel of zijn wil, zoals sommige
encyclopedieën beweren. Integendeel! Het gaat hier om de functies van geweten,
intuïtie en g’dsverlangen! In de geest kunnen wij wedergeboren worden. Veel
gelovigen weten maar weinig over hun geest. We moeten de Eeuwige vragen ons te
leren onderkennen, wat uit de ziel voortkomt en wat uit de geest. Vóórdat de
gelovige wordt wedergeboren, lijkt het wel dat de geest ondergeschikt was aan
de ziel, want waar het verstand, het gevoel en de eigen wil toenemen, worden
het geweten, de intuïtie en het g’dsverlangen zo verduisterd, dat men ze bijna
niet meer kent. Daarom moet er een scheiding komen van ziel en geest nadat
iemand is wedergeboren: “Want het Woord G’ds is levend en krachtig en
scherper dan enig tweesnijdend zwaard en dringt door, zó diep, dat het vaneen
scheidt ziel en geest, gedachten des harten; en geen schepsel is voor Hem
verborgen, want alle dingen liggen open en ontbloot voor de ogen van Hem, voor
wie wij rekenschap hebben af te leggen.” (,yrbi Ivrim [Hebreeën] 4:12-13).
Werner Stauder